Muziektermen, een uitgebreide lijst

A capella - Zang zonder instrumentale begeleiding. 

A - Grillig, vrij in tempo.

Absoluut gehoor - Het vermogen om de toonhoogte van klanken zonder voorafgaande vergelijking te benoemen.

Accarezzevole - Karakteraanduiding: met lieflijke uitdrukking.

Accent - Nadruk. Het teken waarmee het accent wordt aangegeven - > - staat boven of onder de noot. 

Accompagnato - Met begeleiding.

Ad libitum - Naar believen. Bijvoorbeeld vrij in de maat. De toevoeging 'cello ad libitum' betekent dat de cello al dan niet gebruikt kan worden.

Adagio - Tempo-aanduiding: statig, gematigd langzame beweging.

Aeolisch - In de 16de eeuw toegevoegde toonsoort voor kerkelijke muziek waaruit later de kleine-tertstoonladder is ontstaan.

Affetuoso - Met veel uitdrukking.

Afterbeat - Muziekstijl met het accent op de tweede en vierde tel. Deze accentverdeling geldt vaak voor de begeleidende instrumenten, niet voor de melodiepartij. 

Agevole - Lieflijk.

Agile - Snel, beweeglijk.

Agogiek - De leer van de veranderingen in tempo.

Agitato - Karakteraanduiding: opgewonden.

Air - Instrumentaal stuk met een overwegend melodieus karakter. 

Akoestiek - De leer van het geluid. Ook gebruikt als aanduiding voor de kwaliteit van concertzalen en kerken.

Akkoord - Een samenklank van meer dan twee tonen die volgens een bepaalde manier wordt opgebouwd. 

Akkoordenschema - Een opeenvolging van akkoorden, doorgaans in een vaste volgorde. Het schema wordt vaak herhaald. Een akkoordenschema wordt veelal gebruikt als begeleiding van een melodie. 

Akkoordinstrument - Instrumenten waarmee akkoorden worden gespeeld, zoals een toetsinstrument (piano, keyboard, synthesizer), een gitaar en een harp. Op deze instrumenten kan een baspartij worden gecombineerd met akkoorden en een melodie. Instrumenten waarop dat niet kan worden melodie-instrumenten genoemd. 

Akkoordsymbool - Geeft via. een hoofdletter aan om welk akkoord het gaat. Een akkoord dat wordt aangegeven met de hoofdletter C is een C-akkoord. Het C-akkoord bestaat dan uit de akkoordtonen c-e-g. 

Akkoordtonen - Tonen waaruit een akkoord is opgebouwd. 

Aliquoten - Boventonen, voortgebracht door trillende snaren die meeklinken boven de hoofdtonen.

Alla - In de stijl van, op de manier van.

Alla breve - Tempo-aanduiding: 2/2de of 4/2de maat waarbij de halve noot (brevis) als teleenheid fungeert in plaats van de gebruikelijke kwartnoot.

Allargrando - Verbreden.

Allegretto - Tamelijk levendig, vrolijk.

Allegro - Tempo-aanduiding: vlug.

Allemande - Oude, rustige dans uit Duitsland in tweedelige maat.

Alt - De op een na laagste vrouwenstem, ook gebruikt voor jongensstem.

Amabile - Karakteraanduiding: beminnelijk, lieflijk. 

Amoroso - Karakteraanduiding: teder, innig.

Andante - Tempo-aanduiding: rustige, langzame beweging, 'de snelheid van de gewone wandelpas'.

Andantino - Tempo-aanduiding: rustig, maar iets sneller dan andante.

Anglaise - Verzamelnaam voor verschillende Engelse dansen.

Animato - Karakteraanduiding: levendig.

Antifonarium - Verzameling melodieën voor de kerkelijke erediensten.

Antifoon - Muzikale structuur waarbij groepen instrumenten elkaar afwisselen.

Appassionato - Karakteraanduiding: hartstochtelijk.

Appogiatuur - Korte of lange voorslag.

Aria - Zangstuk, lied voor solostem.

Arioso - Kleine aria.

Arrangement - Een instrumentale bewerking van een muziekstuk voor een andere bezetting dan waarvoor het oorspronkelijk is gecomponeerd.De melodie wordt bijvoorbeeld door andere instrumenten spelen, of een rustig nummer wordt omgezet in een snelle, swingende versie. Het muziekstuk klinkt in elk geval anders dan het originele stuk. 

Arpeggio - Speelwijze waarbij de afzonderlijke tonen van een akkoord snel achter elkaar van beneden aar boven worden aangeslagen. 

Ars antiqua - Meerstemmige muziek uit de 13de eeuw, waarbij het ritme voor het eerste in notenschrift is afgedrukt.

Atonaliteit - Muziek zonder vast voorgeschreven basis.

Badinage - Vrolijke, scherzo-achtige compositie. Ook wel aangeduid als badinerie.

Bagatelle - Frans voor 'kleinigheid': klein muziekwerkje.

Ballade - In de middeleeuwen een verhalend danslied, later een instrumentaal muziekstuk in romantische stijl.

Ballet - Virtuoze dansvorm, in de 16de eeuw ontwikkeld aan het Franse hof. 

Barcarolle - Gondellied uit Venetië. 

Bariton - Lage stem, liggend tussen bas en tenor.

Barok - Portugees woord dat letterlijk 'ruwe parel' betekent. De term wordt in de muziek gebruikt voor de periode va 1600 tot 1750, gekenmerkt door een sterke expressie.

Bas - Letterlijk 'laag', een instrument dat heel laag kan. Een baspartij is een melodie met lage tonen. Ook de naam voor de lage mannenstem.

Basmotief - Een motief dat laag gespeeld wordt. 

Basso continuo - Italiaans, letterlijk vertaald 'doorlopende bas'. Continue bas als fundament voor de compositie.

Basso ostinato - Steeds herhaalde figuur in de bas.

Battaglia - Strijdmuziek. In motetten wordt het strijdrumoer op het slagveld uitgebeeld.

Beat - (Drum)slag. de steeds herhaalde slag in de jazz- en popmuziek. 

Begeleiding - Begeleidingspartijen ondersteunen de melodiepartij. Veel gebruikte begeleidingsinstrumenten zijn de piano en de gitaar. 

Bel canto - Italiaans voor 'schone zang'. Lyrische zangstijl, veel gebruikt in Italiaanse opera's uit de 17de en 18de eeuw.

Benedictus - Letterlijk 'gezegend'. Deel van de gezongen mis. 

Berceuse - Wiegelied. De term wordt ook gebruikt voor een instrumentale vorm met een 'wiegend' ritme.

Bergamaque - Oude Italiaanse dans uit de streek van Bergamo. Zeer snel van tempo.

Bewerking - Arrangement. 

Bezetting - De soort en het aantal instrumenten en zangstemmen waarmee een muziekstuk wordt uitgevoerd. 

Binair - Tweeledig. Meestal gebruikt als aanduiding van een tweedelige maatsoort/

Bithematiek - Muziekstuk dat twee thema's bevat, bijvoorbeeld het eerste deel van een sonate.

Bitonaal - Muziek die zich gelijktijdig in twee verschillende toonsoorten beweegt, het gelijktijdig gebruiken van twee toonsoorten die meestal een half octaaf uit elkaar liggen.

Blaasinstrumenten - Alle instrumenten waarmee de klank via lucht wordt voorgebracht. Ook wel aerophonen genoemd, afgeleid van de Griekse woorden aero (lucht) en phonè (geluid).

Blaaskwintet - Een ensemble dat bestaat uit dwarsfluit, hobo, klarinet, fagot en hoorn. 

Blues - Muzikaal idioom, in de 19de en 20ste eeuw ontwikkeld in Amerika. De blues wordt gekenmerkt door een vermenging van Afrikaanse en Europese toonladders, vermengd met 'blue notes': verlaagde terts en septime.

Bluesschema - Akkoordenschema dat bestaat uit twaalf maten. 

Bolero - Spaanse dans in driedelige maat, oorspronkelijk met begeleiding van zang en castagnetten.

Boog - Andere benaming voor de strijkstok, het hulpmiddel waarmee muzikanten een strijkinstrument bespelen. Ook gebruikt voor een gebogen lijn die twee of meer noten van dezelfde hoogte met elkaar verbindt, wat aangeeft dat de noten als één doorlopende noot moeten worden gespeeld.

Boogie-woogie - Improviserende pianostijl met steeds herhaalde figuren in de linker hand en contrasterende ritmen in de melodieën van de rechter hand, meestal in een bluesschema van twaalf maten.

Bourdon - De diepste klok van een carillon. Term wordt ook gebruikt voor de aanhoudende toon van niet-bespeelde snaren die bij strijk- of tokkelinstrumenten meeklinken. 

Bourrée - Oude, Franse boerendans in een snel tempo.

Bovenstem - De hoogste stem in een meerstemmig stuk.

Boventonen - Zwakkere tonen, hoger dan de grondtoon. Ook wel aangeduid als aliquoten.

Branle - Oude dans uit de 16de en 17de eeuw, al dan niet met zang.

Break - Onderbreking. Een plotselinge akkoordstop om een solist meer kans te geven zich te laten horen. 

Brevis - Latijns voor kort.

Buffa, buffo - Komische variant, bijvoorbeeld op een opera.

Burleske - Muziek met een komisch karakter.

Cadans - Ritme, beweging op basis van ritmische accenten.

Canon - Het na elkaar inzetten van één melodie door verschillende stemmen. Een canon kan twee- of meerstemmig zijn. 

Cantabile - Zangerig.

Cantate - Zangstuk, vocale compositie voor solostemmen en koor.

Cantique - Frans: lofzang.

Cantorij - Koor van zangers en instrumentalisten, verbonden aan de kerk of het hof.

Cantus - Latijn: gezang. De algemene benaming van de hoofdmelodie.

Cantus firmus - Melodie is ontleend aan een ander werk.

Canzone - Oude benaming voor een meerstemmige compositie, zowel gezongen als instrumentaal.

Capriccio - Compositie met een grillig karakter.

Castraat - Mannelijke sopraan of alt.

Chaconne - Frans: oude dansvorm die bestaat uit melodische variaties.

Chanson - Frans: lied.

Choreografie - Beschrijving van de dansbewegingen.

Chorus - Rei- of rondedans

Chromatiek - Het kleuren van de tonen door ze met een halve toon te verhogen of te verlagen.

Chromatische toonladder - Toonladder die is opgebouwd uit halve tonen.

Classicisme - Muziekstijl uit de tweede helft van de 18de eeuw, gekenmerkt door een hang naar de natuur.

Cluster - Het tegelijkertijd aanslaan van een aantal dicht bij elkaar liggende tonen, bijvoorbeeld op de piano. 

Coda - Letterlijk 'staart': het naspel (eindstukje) van een muziekstuk. 

Colla parte - In het Frans 'suivez', volgen. Aanduiding voor de begeleiding dat de muzikanten de solopartij moeten volgen.

Complice - Karakteraanduiding: eenvoudig.

Con affetto - Karakteraanduiding: met gevoel.

Con allegrez - Karakteraanduiding: met vrolijkheid.

Con amore - Karakteraanduiding: met liefde.

Con anima - Karakteraanduiding: met bezieling.

Con brio - Karakteraanduiding: geestdriftig.

Con calore,   con caloroso - Karakteraanduiding: met warmte.

Con dolore - Karakteraanduiding: met smart.

Con espressione - Karakteraanduiding: met uitdrukking.

Con forza - Karakteraanduiding: met kracht.

Con fuoco - Karakteraanduiding: met vuur.

Con moto - Karakteraanduiding: met beweging.

Concert, concerto - Drie- of vierdelige compositie voor solo-instrumenten en symfonieorkest.

Concertino - Klein concert.

Concertmeester - Leider van de eerste violen in een orkest.

Concerto grosso - Letterlijk 'groot concert': een muziekstuk voor een groep solisten.

Conductus - Geestelijk, maar niet liturgisch gezang in het Latijn.

Consonant - Harmonieus samenklinkend.

Consort - Vier- tot zesstemmig ensemble voor kamermuziek.

Contra-alt - Laatste vrouwenstem.

Contrapunt - Meerstemmigheid waarbij elke stem onafhankelijk is, het tegenovergestelde van harmonie.

Contratenor - De derde stem in een meerstemmig stuk.

Contrast - Tegenstelling. Plotseling komt er iets heel anders. Er zijn verschillende varianten:

- - melodisch contrast - twee heel verschillende melodieën.

- - ritmisch contrast - twee heel verschillende ritmes.

- - contrast in klankkleur - bijvoorbeeld schelle trompet tegenover een dwarsfluit.

- - contrast in dynamiek - hard en zacht tegenover elkaar. 

Compositie - Samenstelling.. Een compositie (ook wel muziekstuk genoemd) is het eindresultaat van het uitwerken van één of meerdere muzikale gegevens. 

Componist - Iemand die muziek bedenkt. 

Consonant - Een rustgevende (ontspannen klinkende) samenklank van meerdere tonen. Het tegenovergestelde van een dissonant. 

Contrast - Tegenstelling. Bij een muziekstuk geldt dat voor de melodie (hoog-laag), het ritme (druk-rustig) en de klankkleur (trompet-fluit). 

Countertenor - Engels: hoge mannenstem die met falset wordt gezongen.

Couplet - Regels van een lied die een eenheid vormt. De melodie blijft hetzelfde, maar de tekst verandert. Dit in tegenstelling tot het refrein, waarbij ook de tekst hetzelfde blijft.

Courante - Franse, snelle dans in een oneven maat.

Crescendo - Dynamiekaanduiding: langzaam sterker wordend.

Cyclisch - Composities waarbij de diverse onderdelen nauw met elkaar in verband staan.

Csardas - Vurige, Hongaarse dans.

Czimkon - Slavische dans.

Da capo - Een deel van de compositie vanaf het begin herhaald moet worden.

Da capo aria - Driedelige aria waarvan het derde deel het eerste met varianten herhaalt.

Da segno - Aanduiding dat een deel van de compositie vanaf een bepaald teken herhaald moet worden.

Deciso - Karakteraanduiding: vastbesloten.

Decrescendo - Dynamiekaanduiding: langzaam zwakker wordend.

Detonatie - Afwijking van de juiste toon.

Diafonie - Dissonant, niet welluidend.

Diapason - toonhoogte, algemeen geldende stemming.

Diatonische toonreeks - Doorlopende reeks opeenvolgende tonen.

Diminuendo - Andere benaming voor decrescendo: langzaam zwakker wordend.

Diptiek - Tweeluik, compositie die bestaat uit twee delen.

Dirigent - Leider van een koor, een ensemble of een orkest, ook wel directeur genoemd. Met de rechterhand geeft de dirigent maatsoort en tempo aan, met de linker de klanksterkte en de inzetten.

Discant - Sopraanstem. De term wordt ook wel gebruikt voor het hoge gedeelte van het toonregister.

Discantus - Meerstemmigheid.

Dissonant - Een samenklank waarvan de tonen veel wrijving geven (onrustig, spannend). Deze samenklank kan uit twee of meer tonen bestaan. Het tegengestelde van een consonant. 

Dithyrambe - Voorloper van de klassieke Griekse tragedie.

Divertimento - Meerdelige compositie met een luchtig karakter.

Do - Eerste toon van een grote-terts-toonladder. Ook wel aangeduid met de letter c.

Dodecafonie - Compositietechniek waarbij de chromatische tonen alle twaalf worden toegepast.

Doedelzak - Schots en Iers instrument, bestaande uit een windzak met twee of vier pijpen. Een van die pijpen wordt gebruikt voor het spelen van de melodie, de andere hebben een vaste grondtoon.

Dolce - Karakteraanduiding: lieflijk, zoet.

Dolente - Karakteraanduiding: weemoedig.

Doloroso - Karakteraanduiding: smartelijk, bedroefd.

Dominant - De vijfde toon of trap van een toonladder. In de toonladder van C is G de dominant. Een majeurakkoord dat opgebouwd wordt vanaf de vijfde trap wordt de dominant genoemd. 

Dorisch - Bij de Grieken een toonreeks die zich neerwaarts beweegt.

Doublure - Instrument dat een stem exact volgt en die stem daardoor verdubbelt.

Drieklank - Een samenklank die is opgebouwd uit drie verschillende tonen. 

Dubbelconcert - Concert voor twee instrumenten of twee orkesten.

Duet - Een zangstuk voor twee stemmen. 

Duo - Muziekstuk voor twee instrumenten en ook een groep die uit twee muzikanten bestaat. 

Duolo - Karakteraanduiding: smartelijk.

Duool - In tweeën gedeelde noot.

Dur - Duits: grote-terts-toonsoort.

Dynamiek - Klanksterkte. Geeft aan hoe hard of zacht een muziekstuk gespeeld moet worden. Dynamiekaanduidingen zijn bijvoorbeeld p (piano = zacht) en f (forte = sterk). 

Echodynamiek - Een fragment uit een muziekstuk dat in een zachtere toonsterkte wordt herhaald. 

Eenstemmige muziek - Muziek waarbij steeds één stem klinkt. Als er een andere melodie bijkomt wordt het tweestemmig. Komt er nog een melodie bij, dan klinkt het driestemmig. Als het meer dan éénstemmig is wordt het meerstemmig genoemd.Wanneer door twee of meer personen dezelfde melodie wordt gezongen, is het ook éénstemmige muziek. 

Elegie - Treurzang waarin de droefenis breed wordt uitgemeten.

Enharmonisch - Twee tonen die hetzelfde klinken, maar anders worden genoteerd, bijvoorbeeld Fis en Ges. 

Ensemble - Groep muzikanten, gewoonlijk kleiner is dan een koor of een orkest. Elke stem (instrument) is met één speler bezet. 

Entr'acte - Muzikaal tussenspel tussen twee bedrijven van een opera.

Entrada - Openingsstuk.

Entree - Opening van een muziekstuk of een ballet.

Eolusharp - Windharp waarbij de wind de niet gespannen snaren in beweging brengt.

Estampie - Danslied, vroeger veel gespeeld door troubadours.

Étude - Oefenstuk.

Evergreen - Lied dat door de jaren heen populair is gebleven.

Eufonie - Welluidendheid.

Euritmie - Bewegingskunst, bedacht door de antroposoof Rudolf Steiner, waarbij muziek en beweging harmonieus samengaan.

Expressionisme - Kunststijl uit het begin van de 20ste eeuw waarbij de componist uiting geeft aan zijn eigen gevoelens. Het expressionisme is ontstaan als reactie op het impressionisme.

Fa - De vierde toon van elke toonladder, ook wel aangeduid met de letter f.

Fado  - Portugees lied, meestal met gitaarbegeleiding.

Falset - Verhoging van het stemregister door het strottenhoofd en de stembanden in een bepaalde stand te zetten.

Fandango - Spaanse volksdans in een driedelige maat.

Fanfare - Muziekkorps met uitsluitend koperen blaasinstrumenten en slaginstrumenten. In de fanfare komen, anders dan in de harmonie, geen klarinetten voor.

Fantasie - Inbeeldingsvermogen. In de muziek vaak gebruikt  voor een compositie met een steeds variërend motief.

Farandole - Levendige dans uit Zuid-Frankrijk, ontstaan in de Provence.

Finale - Het laatste deel van een muziekwerk.

Flageolet - Kleine blokfluit die vooral wordt gebruikt bij dansmuziek.

Flamenco - Zigeunerdans uit Zuid-Spanje.

Flebile - Karakteraanduiding: klagend, meemoedig.

Flessibile - Karakteraanduiding: buigzaam.

Follia - Luidruchtige Portugese dans.

Fontanel - Beschermlaagje voor de kwetsbare kleppen van een blaasinstrument.

Forte - Dynamiekaanduiding: sterk. Aangeduid met een f.

Fortissimo - Dynamiekaanduiding: heel sterk. Aangeluid met ff.

Française - Engelse dans in tweedelige maat, in Frankrijk anglaise genoemd.

Frasering - Articulatie of uitspraak van muzikale zinnen.

Frequentie - Het aantal trillingen per minuut, aangegeven in Herz (Hz).

Frotella - Luchtige, meerstemmige compositie uit Italië.

Fuga - Compositie waarin de stemmen elkaar imiteren. Eenzelfde thema wordt daarbij in verschillende toonhoogtes uitgevoerd.

Fugato - Letterlijk 'in fugastijl'.

Furiant - Snelle dans met afwisselende maatsoorten, afkomstig uit Bohemen.

Furioso - Karakteraanduiding: wild, woest.

Gagliarde - Italiaanse dans in driedelige maat uit de 16de en 17de eeuw.

Galop - Gezelschapsdans van Hongaarse oorsprong.

Gamelan - Indonesisch orkest met slag-, strijk-, blaas- en tokkelinstrumenten.

Gamma - Toonladder.

Gavotte - Franse gezelschapsdans in vierdelige maat met statige bewegingen.

Gebroken akkoord - In een gebroken akkoord worden de akkoordtonen na elkaar gespeeld en niet tegelijk. 

Geluid - Alle met het oor waarneembare trillingen. Het menselijk oor kan geluidstrillingen waarnemen die liggen tussen 16 en 20.000 Hertz. 

Genre - Soort of stijl. 

Gigue - Snelle, oud-Franse dans.

Giocoso - Karakteraanduiding: schertsend, vrolijk, grappig.

Gitana - Spaanse zigeunerdans.

Glissando - Glijdend, snel langs de tonen gaand waardoor de toonhoogten in elkaar overvloeien.

Gloria - Katholiek liturgisch gezang.

Gopak - Levendige dans in tweedelige maat, afkomstig uit Rusland.

Gospel - Amerikaans religieus lied, wat eenvoudiger en ritmischer dan een spiritual.

Graduale - Gregoriaans misgezang tussen het epistel en het evangelie.

Grave - Karakteraanduiding: ernstig, zeer langzaam.

Graziozo - Karakteraanduiding: bevallig, gracieus. 

Gregoriaans - Eenstemmig liturgisch gezang.

Grondakkoord - Grote-terts-drieklank, gebouwd op de grondtoon van de toonladder.

Grondtoon - De toon waarnaar de toonladder is genoemd. Van de C-toonladder is C de grondtoon.

- De grondtoon van een drieklank is de toon waarop het akkoord is gebouwd. Van het akkoord C-E-G is C de grondtoon. Ook wanneer het akkoord is omgekeerd, bijvoorbeeld E-G-C, blijft C de grondtoon. 

Grote terts - Interval van drie hele tonen, aangeduid met de letters gr.t. Ook wel majeur genoemd.

Habanera - Oorspronkelijk uit Cuba afkomstige ritmische dans in tweedelige maat.

Halling - Trage  volksdans in tweedelige maat, afkomstig uit Noorwegen.

Halve toon - Kleinste toonschrede van het Europese toonsysteem, ééntwaalfde deel van een octaaf.

Harmonie - Het gelijktijdig klinken van meerdere tonen. 

Harmonieorkest - Muziekkorps met koperen en houten blaasinstrumenten.

Heldentenor - De zwaarste tenorstem.

Herhaling - Iets opnieuw doen. In de muziek kan een melodie, een ritme of een samenklank meerdere keren voorkomen. De meest bekende vorm van herhalen is het refrein. Herhalen kan op twee manieren: op dezelfde toonhoogte of iets hoger of lager. 

Hexachord - Systeem van zes diatonische tonen met een halve toon in het midden.

Homofonie - Compositorische schrijfwijze waarbij alle stemmen in een gelijk ritme zijn neergezet.

Homofoon - Gelijkklinkend.

Hoofdaccent - Het accent op de eerste tel van de maat. 

Hoofdthema - Het belangrijkste thema van een compositie.

Hoofdvorm - Oorspronkelijk de vorm van het eerste deel van een klassieke sonate.

Horlepijp - Schotse volksdans.

Humoresque - Licht, vrolijk muziekstuk.

Hymne - Loflied, het volkslied van een land.

Idiofoon - Instrument dat zelf trilt. Tot de idiofonen worden onder meer de bekkens, de castagnetten, de triangel, de xylofoon en de celesta gerekend.

Imitatie - Herhaling van de melodie, meestal op een andere toonhoogte. Bij een strenge imitatie moet de muzikant zich precies houden aan de voorgeschreven intervallen, bij een vrije imitatie mag hij die intervallen aanpassen.

Impetuoso - Karakteraanduiding: onstuimig, stormachtig.

Impressionisme - Kunststijl uit de tweede helft van de 19de eeuw, waarbij de kunstenaars weergeven wat hun oog of hun oor waarneemt. Bij impressionistische muziek is de stemming het belangrijkste element.

Impromptu - Improviserend.

Improvisatie - Vrije fantasie op een gegeven thema.

Inleiding - Een kort gedeelte waarmee een muziekstuk begint. In de pop- en jazzmuziek ook wel intro genoemd. 

Instrumentatie - De leer van de instrumenten. Ook gebruikt voor de verdeling van de stemmen over de aanwezige instrumenten.

Intavolare - Overschrijven van muziek in een ander notenschrift.

Interludium - Tussenspel.

Intermezzo - Tussenspel.

Interpretatie - Persoonlijke inkleuring van een muziekstuk, vertolking.

Interpunctie - Muzikale frasering.

Interval - Toonafstand. De afstand tussen twee tegelijk of na elkaar klinkende tonen. 

Intonatie - Het treffen van de juiste toonhoogte.

Intrada - Voorspel, inleiding op het eerste thema van een symfonie.

Intro - Voorspel, meestal vrij kort en instrumentaal. 

Inventie - Compositie in een improviserende stijl.

Isometrisch - Twee of meer melodieën van gelijke metrische en ritmische beweging.

Isoritmiek - Met gelijk ritme.

Isotonisch - Gelijk van toon.

Jalee - Spaanse volksdans in driedelige maat.

Janitsarenmuziek - Turkse militaire muziek die wel wordt gebruikt in opera's.

Jazz - Nieuwe muziekstijl, aan het begin van de 20ste eeuw ontstaan in het zuiden van de Verenigde Staten. Jazz is een mengvorm van West-Afrikaanse en Europese stijlelementen.

Jota - Vlotte, Spaanse volksdans in driedelige maat.

Kalamaika - Hongaarse dans in tweedelige maat.

Kamermuziek - Muziek die is geschreven voor kleine concertruimten.

Kamertoon - Internationaal vastgestelde toon voor het stemmen van instrumenten. De kamertoon A1 is in 1939 vastgesteld op 440 Hz. De andere tonen kunnen hiervan worden afgeleid.

Kapelmeester - Leider van een orkest of een koor.

Kerklied - Eenstemmig gezang tijdens een christelijke kerkdienst, verwant aan het volkslied.

Key - Engelse aanduiding voor toonsoort, letterlijk 'sleutel'. 

Klankbron - Het onderdeel van een instrument dat in trilling wordt gebracht (snaar, luchtkolom of vel) 

Klankkleur - De klank van de instrumenten (donker, helder, scherp, dof). Elk instrument heeft een ander geluid. Verschil in klankkleur is het gevolg van:

- - een andere klankbron (luchtkolom, snaar of vel).

- - een andere speelwijze (snaar aanstrijken of tokkelen).

- - het gebruikte materiaal (hout, koper of metaal).

- - de vorm van het instrument. 

Klassiek - Muziekstijl, gekenmerkt door evenwicht.

Kleine-terts-toonladder - Toonladder waarvan de terts klein is.

Kolo - Slavische kringdans in verschillende tempo's.

Koor - Zanggroep of groep instrumenten van dezelfde familie.

Kopstem - Falset.

Koraal - Religieus of liturgisch gezang.

Kastschek - Russische kozakkendans.

Kruis - Een teken dat aangeeft dat de toon met een halve toon verhoogd moet worden. 

Kujawiak - Poolse nationale dans, iets sneller dan de mazurka.

Kwart - Interval, de afstand tussen via diatonische tonen.

Kwartet - Samenspel voor vier zangers of instrumentalisten.

Kwint - Interval, de afstand tussen vijf diatonische tonen.

Kwintencirkel - Figuur waarin de twaalf tonen van een chromatische toonladder cirkelvormig zijn gerangschikt.

Kwintet - Samenstellen voor vijf zangers of instrumentalisten. Het kwintet heeft geen standaardbezetting.

La - Zesde toon van elke toonladder.

Labium - De scherpe kant van een mondstuk bij fluiten.

Lagoe - Indonesische zangstuk in Javaanse of Maleise stijl.

Lai - Keltische vorm van verhalende poëzie.

Lamento - Klaagzang.

Lamentoso - Klagend.

Ländler - Snelle dans uit Zuid-Duitsland, uitgevoerd in driedelige maat.

Languido - Karakteraanduiding: smachtend, kwijnend.

Larghetto - Tempo-aanduiding: enigszins breed, maar wat sneller dan largo.

Largo - Tempo-aanduiding: breed, zeer langzaam.

Larynx - Strottenhoofd.

Legato - Gebonden spelen. De tonen moeten met elkaar verbonden zijn. Het tegengestelde van staccato. 

Leidmotief - Motief dat dwars door een dramatisch of symfonisch muziekwerk loopt.

Lento - Tempo-aanduiding: zeer langzaam.

Libretto - De tekst van een muzikaal verhaal, bijvoorbeeld in een opera.

Lied - Op muziek gezette poëzie, al dan niet met instrumentale begeleiding.

Litanie - Reeks van smeekbeden of verheerlijkingen.

Ma non troppo - Toevoeging bij tempo- of karakteraanduiding: letterlijk 'maar niet te zeer'.

Maat - Verdeling van muziek in gelijke stukjes. Elk stukje (maat) bestaat uit evenveel tellen. 

Maataccent - Het benadrukken van de eerste tel van een maat waardoor de maatsoort herkenbaar wordt. 

Maatstreep - Een verticale streep door de notenbalk, steeds vóór de eerste tel. 

Maatsoort - Het aantal tellen per maat. Een maat kan in twee, drie of vier tellen verdeeld worden. Deze onderverdeling heet maatsoort. De maatsoort wordt aan het begin van een stuk in de vorm van een breuk aangegeven, bijvoorbeeld 3/4, 4/4 of 6/8. Het bovenste getal geeft aan hoeveel tellen er in één maat staan. Het onderste getal geeft aan welke notenwaarde één tel krijgt. Als het onderste getal 4 is duurt de kwartnoot één tel, als het onderste getal 8 is duurt de achtste noot één tel. 

Madrigaal - Meerstemmig lied met een niet-religieuze tekst. Letterlijk vertaald 'herderszang'.

Madrilena - Spaanse nationale dans.

Maestoso - Karakteraanduiding: verheven, plechtig.

Maggiore - Italiaans voor majeur, grote terts.

Magnificat - Lofzang op Maria, veel gebruikt tijdens de vespers in de katholieke kerk.

Majeur - Toongeslacht met grote terts.

Manuaal - Het klavier van een orgel dat met de handen wordt bespeeld, in tegenstelling tot het pedaal dat met de voeten wordt bediend.

Marcia funebre - Treurmars, onder meer gespeeld tijdens begrafenissen.

Mars - Compositie in marstempo, oorspronkelijk bedoeld om op te marcheren. Ook wel aangeduid als marcia (Italiaans), march (Engels), marche (Frans) of Marsch (Duits).

Mazurka - Poolse dans in driedelige maat.

Melodie - Een opeenvolging van tonen die met elkaar te maken hebben en samen één geheel vormen. 

Melodie-instrumenten - Instrumenten waarop alleen een melodie kan worden gespeeld, dus telkens één toon tegelijk. Daarnaast zijn er akkoordinstrumenten. 

Melodrama - Begeleidende muziek bij een gesproken tekst.

Meno - Toevoeging bij karakter- of dynamiekaanduidingen: minder.

Menuet - Oud-Franse dans in een driedelige maat, langzaam van tempo.

Mesto - Karakteraanduiding: somber, droevig.

Metronoom - Kastje met een slinger die het tempo exact aangeeft.

Metrum - Maat.

Mezzosopraan - De op een na hoogste vrouwenstem.

Mi - De derde toon van elke toonladder.

Mineur - Toongeslacht met kleine terts. In het Italiaans aangeduid als minore.

Minnelied - Lied waarin een geliefde wordt bezongen.

Mis, missa - De gezamenlijke gezangen voor een katholieke kerkdienst.

Mobile - Karakteraanduiding: beweeglijk.

Moderato - Karakteraanduiding: matig.

Modulatie - De manier om in een compositie van toonsoort te veranderen. 

Modus - Toongeslacht. De modus bepaalt de onderlinge verhouding van de tonen binnen een toonsoort.

Mol - Een teken dat aangeeft dat de toon met een halve toon verlaagd moet worden. 

Molto - Toevoeging bij karakter- of dynamiekaanduidingen: veel. 

Monodie - Door harmonie begeleide eenstemmigheid.

Monofonie - Eénstemmige stijl.

Mosso - Karakteraanduiding: beweeglijk.

Motet - Kort, meerstemmig zangstuk met een religieuze tekst.

Motief - Het kleinste muzikale stukje (bouwsteen) van een melodie. Een motief kan al bestaan uit twee tonen.

Moulure - Sierlijst of -band die op instrumenten wordt aangebracht.

Musical - Licht muziektheater met zang, tekst en dans.

Muzikale zin - Een afgerond melodisch geheel. 

Muzieknotatie - Muziekschrift.

Muzieksleutel - Symbool aan het begin van de toonladder dat de toonhoogte aangeeft.

Muziekstuk - Compositie. 

Narrante - Muziekstijl: vertellend.

Neo-classisme - Hedendaagse muziekstijl waarbij componisten teruggrijpen naar de stijl van hun voorgangers.

Neumatische gezangen - Gezangen waarbij de meeste lettergrepen van de tekst een groep van twee of drie tonen boven zich hebben.

Nocturne  - Nachtmuziek, vaak zwaarmoedig van stemming.

None - De negende trap in een diatonische toonladder.

Noot - Teken waarmee de hoogte en de duur van de toon wordt aangegeven.

Notatie - Notenschrift.

Notenbalk - Een systeem van vijf lijnen waarop de noten van een muziekstuk worden geplaatst. 

Notenwaarde - Geeft de lengte van een noot aan. 

Novelette - Romantische compositie met een vrij karakter, doorgaans voor piano.

Oberek - Nationale dans uit Polen.

Obligaat - Verplichte stem die niet weggelaten mag worden.

Octaaf - De afstand tussen acht tonen. In de toonladder van C is dat dus de volgende C (c, d, e, f, g, a, b, c'). Een octaaf is een interval, bijvoorbeeld c-c'.

Octet - Muziekwerk voor acht zangers of instrumentalisten.

Officie - De getijden van de katholieke kerk, zoals de metten, de lauden en de vespers.

Ole - Spaanse dans in een driedelige maat met castagnetten.

Ondertoon - Toon die onder de hoofdtoon meeklinkt, met het oor niet direct waarneembaar.

Opera - Muzikaal toneelspel, doorgaans met een dramatische ondertoon.

Opéra comique - Muzikaal verhaal met een komische inslag.

Operette - Luchtig muzikaal verhaal, ontstaan als reactie op de vaak loodzware opera's.

Ordinarium - De steeds terugkerende gezangen in een katholieke eredienst, zoals het Kyrie, het Gloria en het Agnus Dei.

Ostinato - Hardnekkig. Het voortdurend herhalen (hardnekkig terugkomen) van een ritmisch of een melodisch motief. 

Opmaat - Een onvolledige maat aan het begin van een muziekstuk die uit één of meerdere tonen kan bestaan. 

Opus - Werk van een componist, meestal aangeduid met de afkorting Op. 

Oratorium - Groot werk voor koor, solisten en orkest. De tekst van de liederen is doorgaans aan de bijbel ontleend.

Orkest - Groep muzikanten, onder te verdelen in symfonieorkest, strijkorkest, harmonie en fanfare.

Orkestratie - De zetting van een compositie voor orkest.

Ornamentiek - Melodische versiering.

Orpheus - Griekse halfgod, zoon van Apollo en Kalliope, symbool voor de muziek.

Ostinato - Een steeds terugkerend thema, meestal in de baspartij.

Ouverture - Inleidende muziek. Vaak zijn in de ouverture fragmenten verwerkt uit stukken die later tijdens de uitvoering volledig worden gespeeld.

Overgangsdynamiek - Het geleidelijk overgaan van hard naar zacht of van zacht naar hard tijdens het spelen of zingen. 

Pantoen  - Maleis lied, vertolkt in de geest van de krotjong.

Parafrase - Instrumentale fantasie over een bepaald thema, heel populair in de romantiek.

Parlando - Manier van zingen: spreekstijl.

Parodie - Humoristische nabootsing van de stijl van een componist.

Partita - Italiaanse aanduiding voor de suite.

Partituur - Notenblad waarop alle stemmen (partijen) van een muziekstuk zijn genoteerd. Een dirigent heeft altijd de partituur voor zich zodat hij een overzicht heeft van het hele muziekstuk. 

Partij - Muziek voor een speciale stem of instrument.Een muziekstuk bestaat uit één of meerdere partijen. Bijvoorbeeld een melodiepartij, een tweede stem of een baspartij. In een orkest heeft iedere muzikant een eigen partij. In de partituur staan alle partijen onder elkaar genoteerd. 

Passacaglie - Dans in driekwartsmaat, veel toegepast in de Barok.

Passepied - Snelle, Franse dans in driedelige maat.

Passiemuziek - Muziek, gebaseerd op het lijdensverhaal van Christus. Vaak uitgevoerd in de vorm van een cantate of een oratorium.

Pasticcio - Opera die de componist heeft samengesteld uit fragmenten van anderen.

Pastorale - Muziek met een landelijk karakter.

Pavane - Statige dans uit Italië en Spanje, uitgevoerd in tweedelige maatsoort en meestal gevolgd door een snelle nadans.

Pedaal - Klavier van een orgel dat met de voeten wordt bespeeld.

Pentatoniek - Toonsysteem waarbij het octaaf is verdeeld in vijf toontrappen.

Pesante - Karakteraanduiding: zwaar, krachtig.

Piacevole - Karakteraanduiding: lieflijk, bevallig.

Piano - Dynamiekaanduiding: zacht. Aangeduid met een d.

Pianissimo - Dynamiekaanduiding: heel zacht. Aangeduid met dd.

Pibrochs - Oud-Schotse doedelzakmelodieën.

Pirouette - Mondstuk van oude blaasinstrumenten als de schalmei en de pommer.

Pizzicato - Een speelaanwijzing voor strijkinstrumenten. Men tokkelt (plukt) de snaren met de hand. 

Più  - Toevoeging bij karakter- of dynamiekaanduidingen: meer.

Pluritonaal - Muziek die op verschillende toonsoorten is gebaseerd.

Poco - Toevoeging bij karakter- of dynamiekaanduidingen: een weinig. De aanduiding 'poco meno forte' staat bijvoorbeeld voor 'iets minder sterk'.

Polka - Snelle volksdans uit Bohemen in tweedelige maat.

Polo - Spaanse zigeunerdans in driedelige maat.

Polonaise - Poolse dans in driedelige maat.

Polyfonie - Een manier van meerstemmig componeren waarbij de verschillende stemmen (melodieën) zo zelfstandig mogelijk optreden. Er is sprake van een polyfone compositie als verschillende melodieën tegelijk klinken en zich min of meer onafhankelijk van elkaar bewegen. Polyfone stijlen zijn bijvoorbeeld de canon en de fuga. 

Polimetriek - Het voorkomen van verschillende maatsoorten in een muziekwerk.

Polyritmiek - Verschillende ritmes binnen een muziekwerk.

Polytonaliteit - Het gelijktijdig voorkomen van verschillende toonsoorten in een compositie.

Prelude - Voorspel, ook wel aangeduid als preludium.

Presto - Tempo-aanduiding: zeer snel.

Principaal - De belangrijkste pijp van een orgel, ook wel prestant genoemd.

Psalm - Gewijde zang, meestal op bijbelse teksten. De naam psalm gaat terug op de honderdvijftig liederen van de Israëlieten zoals die zijn opgetekend in het Oude Testament.

Psalmodie - Het op verhoogde toon reciteren of zingen van onberijmde psalmen.

Punteado - Het tokkelen met de vingertoppen van de rechter hand op de snaren van een instrument.

Quadrille - Opgewekte dans in tweedelige maat.

Quatre mains - Pianostuk voor twee pianisten op hetzelfde klavier.

Quodlibet - Geïmproviseerde polyfonie met fragmenten uit volksliedjes.

Rapsodie - Compositievorm waarin verschillende losse thema's voorkomen. Meestal een instrumentale fantasie waarin volksmelodieën zijn verwerkt.

Re - Tweede toon van elke toonladder.

Recitatief  - Gesproken tekst in een lied, ook wel spraakzang genoemd.

Recital - Voordracht door een zanger of instrumentalist met begeleiding.

Reel - Snelle dans uit Schotland en Ierland in een tweedelige maat.

Refrein - Een deel van een lied dat telkens met dezelfde woorden en dezelfde melodie terugkeert. Dit in tegenstelling tot het couplet, dat steeds aan andere tekst heeft. 

Religioso - Karakteraanduiding: plechtig, verheven.

Renaissance - Stijlperiode in de kunst en de muziek, van 1300 tot 1600. Renaissance is Frans voor wedergeboorte en staat in dit geval voor de terugkeer van de klassieke stijl.

Repercussie - Het meermaals herhalen van een toon.

Reprise - Herhaling.

Requiem - Afscheidslied bij een uitvaart.

Resonantie - Weerkaatsing van het geluid waardoor dat geluid versterkt wordt.

Responsoriaal - Muzikaal 'gesprek' tussen solist en koor of orkest.

Ricercar - Muziekvorm waaruit later de fuga is voortgekomen.

Riff - Een korte kernachtige melodie (wordt vaak herhaald). Deze term wordt veel gebruikt in de pop- en jazzmuziek. 

Rigaudon - Vlugge dans in driedelige maat uit Zuid-Frankrijk.

Risvegliato - Karakteraanduiding: opgewekt, levendig.

Ritme - Volgens de tijdmaat verlopende duur van de tonen van een muziekstuk. Door een opeenvolging van lange en korte, beklemtoonde en onbeklemtoonde noten ontstaat het ritme in een muziekstuk. 

Ritornel - Tussenspel dat in dezelfde vorm telkens terugkomt in een rondo.

Rococo - Muziekstijl uit de 18de eeuw, voortgekomen uit de Romantiek. De Rococo wordt gekenmerkt door een verfijnde, intieme sfeer.

Romance - Romantische compositie met een lyrisch karakter.

Romanesca - Gaillarde-melodie uit de 16de eeuw.

Romantiek - Muziekstijl uit de 19de eeuw waarin het gevoel domineert boven het verstand. De Romantiek wordt gekenmerkt door een zucht naar vrijheid.

Rondo - Muziekvorm waarbij een bepaald thema (het refrein of het rondothema) telkens terugkeert.

Rusticano - Karakteraanduiding: landelijk.

Rustico - Karakteraanduiding: boers.

Saltarello - Snelle Italiaanse dans in driedelige maat.

Samenklank - Twee of meer tonen die tegelijk klinken. 

Sanctus - Liturgisch gezang uit de katholieke kerk.

Sarabande - Oude, statige dans in driedelige maat uit Spanje.

Sardana - Dans uit Catalonië.

Saxofoon - Door de Belg Adolph Sax in 1844 uitgevonden blaasinstrument, meestal van messing.

Schellenboom - 'Instrument' met rinkelende belletjes, oorspronkelijk afkomstig uit China, via de Turkse legers in Europa terechtgekomen.

Scherzo - Karakteraanduiding: schertsend.

Schnadahüpfl - Dans uit de Alpenlanden, verwant aan de Zuid-Duitse ländler.

Schuhplattler - Beierse dans waarbij uitbundig op de dijen wordt geslagen.

Scordato - Ontstemd.

Secondo - Tweede toon van een diatonische toonladder.

Secundo - De afstand tussen twee naast elkaar gelegen, diatonische tonen, bijvoorbeeld c-d en e-f.

Seguidilla - Snelle Spaanse dans in driedelige maat.

Sempre - Altijd.

Sensible - Karakteraanduiding: met gevoel.

Sentimento - Karakteraanduiding: met gevoel.

Septet - Muziekwerk voor zeven stemmen.

Septiem - Interval tussen zeven diatonische tonen.

Sequens - Herhaling van een melodie op een andere toonhoogte. Wanneer de herhaling iets hoger is wordt gesproken van een stijgende sequens, wanneer de herhaling iets lager is van een dalende sequens. 

Serenade - Avondmuziek.

Serenata - Vocale compositie uit de 18de eeuw, verwant aan de opera.

Sextet - Muziekwerk voor zes stemmen.

Si - De zevende toon van elke toonladder.

Siciliano - Landelijke dans uit Sicilië in een 6/8ste maat.

Simfonia - De oorspronkelijke benaming voor een Italiaanse opera-ouverture.

Sinustoon - Toon zonder boventonen, kan alleen door een toongenerator worden voortgebracht.

Sjeng - Chinees instrument: een windkast met bamboepijpen. Een van de oudste instrumenten die bekend zijn.

Snaarinstrumenten - Alle instrumenten met snaren: strijkinstrumenten, tokkelinstrumenten en klavieren. Ook wel chordophonen genoemd, afgeleid van de Griekse woorden chorda (snaar) en phonè (geluid).

Sol - De vijfde toon van elke toonladder, ook wel aangeduid met de letter g.

Solfège - Het leren lezen van het notenschrift.

Solfègiëren - Een muziekstuk 'zingen' door de namen van de noten te noemen. De term wordt ook wel gebruikt voor het zingen van de toonladders.

Solmisatie - Systeem waarbij de melodie op de lettergrepen do-re-mi-fa-sol-la-si worden gezongen, ontworpen door Guido van Arezzo.

Solo - Muziekwerk voor één stem of instrument.

Sonate - Muziekstuk dat is opgebouwd uit twee, drie of vier (cyclische) delen.

Sonate da camera - Instrumentale dans, verwant aan de suite.

Sonatine - Kleine, vaak luchtige sonate.

Sonoor - Helder klinkend.

Sopraan  - Hoogste vrouwen- of jongensstem.

Sostenuto - Karakteraanduiding: gedragen.

Sourdine - Apparaat waarmee de klank van muziekinstrumenten wordt gedempt. Meestal vervormt de klank daarbij ook.

Spirito, spirituoso - Karakteraanduiding: vurig, geestdriftig.

Spiritual - Godsdienstig lied uit Amerika.

Stabat matar - Lijdenshymne uit de katholieke kerk.

Staccato - Gestoten spelen. De tonen moeten kort en duidelijk van elkaar gescheiden gespeeld worden. Het wordt aangeduid met punten boven of onder de noten. Het is tegengesteld aan legato. 

Stem - Stem heeft twee betekenissen:

- - zangstem, bijvoorbeeld een bas (lage mannenstem)

- - partij, bijvoorbeeld de tweede stem of de melodie- of baspartij. 

Stemming - De vaste tonen waarnaar muziekinstrumenten zijn gestemd.

Stemregister - Omvang van een stemregister, gekenmerkt door het gebruik van de stembanden.

Stemsoort - De zes zangstemmen: sopraan, mezzosopraan, alt, tenor, bariton en bas.

Stemtoon - Standaardfrequentie: 440 Hz.

Stemvork - Hulpmiddel bij het stemmen van instrumenten.

Stentato - Karakteraanduiding: talmend, terughoudend.

Stile concertato - Barokmuziek, gecomponeerd volgens het concerterende principe.

Stretto - Het kort na elkaar inzetten van polyfone stemmen.

Suave - Karakteraanduiding: zacht, lieflijk.

Subdominant - De vierde toon of trap van een toonladder. In de toonladder van C is F de subdominant. Subdominant wordt ook wel onderdominant genoemd. Een majeurakkoord dat is  gebouwd op de vierde trap wordt ook wel de subdominant genoemd. 

Subject - Het thema van een fuga.

Suite - Compositie die is opgebouwd uit thematische of tonaal samenhangende onderdelen.

Syllabische gezangen - Gezangen waarbij elke lettergreep als regel slechts één toon heeft.

Symfonie - Compositie voor orkest, vaak bestaand uit vier delen die in cyclistisch verband tot elkaar staan.

Symfonieorkest - Muziekgezelschap dat is opgebouwd uit een strijkorkest, hout- en koperblazers en slagwerkers.

Symfonietta - Beknopte symfonie met een lichte inhoud.

Symfonisch gedicht - Eéndelig muziekstuk voor orkest.

Symfonische jazz - Samensmelting van jazz en klassieke muziek, met als bekendste voorbeeld 'Rhapsody in Blue' van George Gershwin.

Syncope - Het verschuiven van maat- en ritmeaccenten van een sterk naar een zwak maatdeel. Het accent op de eerste tel (sterk maatdeel) verschuift bijvoorbeeld naar een accent op de tweede tel (zwak maatdeel), of het accent op de eerste helft van een tel verschuift naar een accent op de tweede helft van de tel. 

Tabulatuur - Een muziekschrift dat bestaat uit cijfers, letters en andere tekens en dus sterk afwijkt van het normale notenschrift. Voor diverse snaarinstrumenten (gitaar, basgitaar) wordt naast het traditionele notenschrift ook gebruikgemaakt van tabulaturen. 

Talian - Dans uit Bohemen, afwisselend in twee- en driedelige maat.

Tango - Vurige dans uit Argentinië in vierdelige maat.

Tantum ergo - Liturgisch gezang uit de katholieke eredienst.

Te Deum - Dankhymne uit de katholieke eredienst.

Tegenmelodie - Een melodie die gelijktijdig met de hoofdmelodie klinkt. 

Tempestoso - Karakteraanduiding: onstuimig.

Tempo - De snelheid waarmee een muziekstuk wordt gespeeld. Enkele tempoaanduidingen zijn largo (zeer langzaam), allegro (snel) en presto (zeer snel). 

Tenor - De hoogste mannenstem.

Ternaire maat - Driedelige maat.

Terrassendynamiek - Het na elkaar optreden van verschillende geluidsterktes (dynamiek), bijvoorbeeld eerst hard en daarna zacht. 

Terts - Derde. In de toonladder van C is de derde toon ten opzichte van de C een E. Een terts is een interval, bijvoorbeeld C-E, G-B of D-F. Een akkoord opgebouwd uit tertsen is bijvoorbeeld C-E-G (C is de grondtoon, E is de derde toon ten opzichte van C en G is de derde toon ten opzichte van E). 

Terzet - Samenspel voor drie zangers of instrumenten.

Tessituur - Het bereik van een stem of een instrument, het geheel van tonen die binnen het bereik liggen.

Thema - Een melodisch idee dat door de componist als uitgangspunt voor een compositie wordt gebruikt. Voor de luisteraar is een thema meestal een herkenningspunt. 

Timbre - De eigen klankkleur van een instrument. De term wordt ook gebruikt voor menselijke stemmen.

Tirana - Oude dans uit Spanje in driedelige maat.

Toccata - Muziekstuk voor toetsinstrumenten, snel en beweeglijk van karakter.

Tonaliteit - Het samenstel van krachten en verhoudingen van tonen binnen één toonsoort.

Tonica - De eerste toon (grondtoon) van een toonladder. 

Tonus - Algemene aanduiding voor tonen en toontrappen, in het bijzonder gebruikt voor de grote secundo in de middeleeuwse muziek.

Toon - Geluid dat ontstaat door het in trilling brengen van een instrument, bijvoorbeeld een snaar (gitaar, harp), de lucht in een instrument (blaasinstrumenten), een vel (slaginstrumenten) of een luidspreker (elektronische instrumenten). 

Toonaard - Het karakter van een muziekstuk, bepaald door de toonhoogte.

Toonhoogte - De hoogte van een toon. Deze wordt bepaald door de plek van een noot op een notenbalk. 

Toonkleur - De eigen klankkleur van een instrument.

Toonomvang - Het gebied tussen de laagst en hoogst zingbare of speelbare toon. 

Toonsoort - Geeft aan in welke toonladder het muziekstuk staat. De toonsoort (of toonaard) heeft alles te maken met de tonica (eerste toon) van de toonladder. Een muziekstuk in C heeft als tonica eveneens de C. Het stuk zal grotendeels bestaan uit tonen uit de toonladder van C: C-D-E-F-G-A-B-C. 

Toonladder - Tonen die trapsgewijs (stijgend of dalend) in een logische volgorde gerangschikt zijn. De meest gebruikte toonladder omvat acht tonen, beginnend en eindigend met dezelfde toon, bijvoorbeeld C-D-E-F-G-A-B-C. De afstand tussen de begin- en eindtoon is een octaaf. 

Toonsoort - Term die wordt gebruikt om de toonhoogte van de tonica aan te geven

Toonsysteem - Het geheel van toonsoorten die binnen een cultuur worden gebruikt. 

Toontrappen - De verschillende tonen van een toonladder. In de toonladder van C is C de eerste trap, D de tweede trap enzovoorts. De trappen worden meestal aangegeven met Romeinse cijfers (I-IV-V is in de toonladder van C: C-F-G). 

Tragédie lyrique - Franse operastijl, gebaseerd op klassieke onderwerpen.

Tranquillamente - Karakteraanduiding: rustig, kalm, bedaard.

Transcriptie - Bewerking van een muziekstuk voor een ander dan het oorspronkelijke instrument.

Transponeren - Een muziekstuk in een andere toonsoort spelen dan genoteerd staat. 

Trap - Zie toontrappen: de verschillende tonen van een toonladder. 

Treble - De hoogste stem in een koor of het hoogste instrument in een orkest.

Tremolo - Trilling, beving in de toon.

Trio - Een muziekstuk voor drie instrumenten. 

Triool - Ritmisch figuur van drie gelijke noten op de plaats waar normaal twee noten komen.

Tripelconcert - Concerto grosso met een concertino van drie stemmen.

Troubadour - Rondtrekkende muzikant in de middeleeuwen.

Tumultuoso - Karakteraanduiding: stormachtig.

Tutti - Italiaans voor allemaal: met het hele orkest.

Tyrolienne - Franse rondedans in driekwartsmaat.

Tweeklank - Een samenklank van twee gelijktijdig klinkende tonen. 

Un poco - Italiaans, 'een beetje'.

Unisono - Eenstemmig. Alle of een aantal stemmen spelen of zingen tegelijkertijd dezelfde melodie. Deze kan ook een octaaf (acht tonen) hoger gespeeld worden. Dit wordt vaak gebruikt om een bepaalde melodie goed te laten uitkomen. 

Ut - Franse benaming voor de do, de eerste toon van de toonladder.

Valse - Franse benaming voor de wals.

Variatie - Een speciale manier om een melodie te herhalen. Een variatie is een kleine verandering van de oorspronkelijke melodie. Ondanks deze verandering blijft de originele melodie herkenbaar. 

Vaudeville - Toneeluitvoering met ingevoegde liederen, vaak als persiflage op serieuze operamelodieën.

Velocita - Tempo-aanduiding: met snelheid.

Verisme - Kunststijl, ontstaan in Italië, waarbij de componist het dagelijkse leven zo realistisch mogelijk uitbeeldt in zijn opera's.

Versiering - Melodische of ritmische formules die de melodielijn verfraaien.

Vibratie - Het kleuren van de toon door hem te laten trillen.

Vierklank - Een akkoord dat bestaat uit vier tonen die een opeenstapeling van tertsen zijn. 

Villanella - Drieregelig volkslied met coupletten.

Virelai - Korte, Franse dichtvorm met twee rijmklanken.

Vivace - Karakteraanduiding: zeer levendig.

Vivente - Karakteraanduiding: levendig, opgewekt.

Vijfde trap - Het (dominant) akkoord dat gebouwd is op de vijfde toon van de toonladder. 

Vocaal - Vocaal komt van voce, Italiaans voor stem. Vocale muziek is muziek uitgevoerd door stemmen. 

Voce - Italiaans voor stem.

Volkslied - Traditioneel lied waarvan de componist vaak niet meer bekend is, maar dat in het hoofd van de mensen voortleeft.

Voortekens - De kruizen of mollen die de toonsoort aangeven. Voortekens staan aan het begin van een muziekstuk. 

Vorm - De indeling van een lied of een muziekstuk. Wordt ook wel muzikale vorm genoemd. 

Wals - Snelle dans in driekwartsmaat. In het Engels aangeduid als waltz, in de Duits als Walzer.

Windharp - Harp met niet gespannen snaren die door de wind in beweging worden gebracht.

Xylofoon - Slaginstrument met gestemde houten plaatjes.

Zangspel - Toneelstuk waarin liederen zijn vervlochten.

Zangthema - Het tweede thema van een sonate.

Zapatcado - Snelle, Spaanse dans in driedelige maat.

Zarzuela - Spaanse opera met gesproken dialogen.

Zeloso - Karakteraanduiding: vurig, ijverig.

Zoronga - Spaanse volksdans in 6/8ste maat.

Zortziko - Baskische volksdans in vijfdelige maat.